De mens en het kunstlicht
 

Reeds in de oertijd heeft de mens getracht om de dag te verlengen en zelf licht te maken in hun holen, door middel van brandende houtspanen of door een fakkel van harshoudende hout. Bij opgravingen in Griekenland en Itali? zijn primitieve olielampen gevonden en in de Bijbel wordt ook geschreven over olielampen. We moeten ons echter van deze verlichting niet al te veel voorstellen, deze lampen gaven hoogstens zoveel licht als wij nu kennen van een kaars. De kaarsen kwamen na 1200 in gebruik, maar het was toen nog zo een luxe artikel dat men zelfs honderden jaren later kaarsen nog alleen maar bij het hof, de adel en de zeer gegoede burgerij aantrof. De olielamp http://kunst-en-cultuur.infonu.nl/geschiedenis/55099-olielampen-door-de-eeuwen-heen.html#4en de kaars zijn zo vele honderden jaren de enige kunstlichtbronnen van de mens geweest en dienden alleen om hun woning enigszins te verlichten. Als de maan niet scheen heerste buiten volkomen duisternis in heel de wereld. Na 1560 werd, althans in de grote steden, een begin gemaakt met openbare verlichting en werden bij bruggen en op de hoeken van de belangrijkste straten olielampen aan een paal opgehangen, die overigens bij volle maan niet werden ontstoken.

Het gaslicht
Na 1800 beginnen zich in de westerse landen grote veranderingen in de mogelijkheden voor de verlichting te voltrekken. In Engeland, Frankrijk en Duitsland worden ongeveer gelijktijdig onderzoekingen gedaan om brandbaar gas uit steenkool te verkrijgen, met de bedoeling om dit te gebruiken voor verlichting.

Ook de Nederlander Jan Pieter Minckelers, http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Pieter_Minckeleers professor aan de Hogeschool te Leuven, slaagde er na vele proefnemingen in om brandbaar gas aan steenkool te onttrekken en reeds in 1785 verlicht hij met steenkoolgas zijn collegezaal.
Weldra wordt algemeen het nut van gasverlichting ingezien en vooral in Engeland komt de gasverlichting snel tot grote bloei. In 1807 wordt in Londen de eerste Engelse straatverlichting op gas in gebruik genomen. Nog geen twintig jaar later zijn in Engeland reeds 55 steden van gasverlichting voorzien. Ook in Duitsland, Frankrijk en Nederland wordt het gaslicht ingevoerd. In Nederland wordt in 1825 de gasfabriek in Rotterdam en in 1834 die te Amsterdam in gebruik genomen: via een ondergronds buizennet wordt gas geleverd aan warenhuizen, kerken, schouwburgen, telegraafkantoren, stations en particuliere woningen. Vanaf 1845 worden in Amsterdam ook de straatlantaarns met olielampen vervangen door gaslicht, die nog lange tijd bij volle maan niet ontstoken worden. Ten opzichte van de tot dan gebruikte olielampen en kaarsverlichting was het gaslicht een zeer grote verbetering. Het gas wordt op een centrale plaats gefabriceerd en via een ondergronds buizennet door de gehele stad verspreid, het was betrekkelijk eenvoudig om huizen op de gasleiding aan te sluiten en behalve voor verlichting kon gas ook gebruikt worden voor verwarming d.m.v. gaskachels en voor het koken d.m.v. gasstellen of comforen. In de huizen was een gasmeter geplaatst die regelmatig werd opgenomen, men kon direct aan de meter opnemer betalen. Ook muntgasmeters kwamen veel voor. In de kleine industrie wordt het stadsgas gebruikt voor gasmotoren. Als later incidenteel de elektrische verlichting zijn intrede doet worden de eerste dynamo's vaak aangedreven door gasmotoren.
Bij de eerste lichtinstallaties met gas werd als lichtbron een zogenaamde vleermuisbrander toegepast, deze verbruikten zeer veel gas en waren daarom duur in het gebruik. Een verbetering kwam in 1879 in de vorm van de regeneratiebrander welke minder gas verbruikte, doch de grootste verbetering was de uitvindingen van het gasgloeikousje in 1885. Deze gloeikousjes waren van katoen en behandeld met het zeldzame metaal thorium, hiermede verkreeg men een voor die tijd schitterend wit licht. Gevaren van gaslicht.
Nadat men enige jaren ervaring had opgedaan was men zich bewust gaan worden van de vele gevaren die gasverlichting met zich meebracht. Het gaslicht gaf veel warmte, wat vooral in de zomer erg hinderlijk was. Verder verbruikte het gaslicht veel zuurstof, hierdoor ontstaat in grote ruimten waar veel gaslampen branden, een bedompte atmosfeer. Het gaslicht was ook erg gevaarlijk, omdat een brandende gaslamp door tocht gemakkelijk uitwaaide, de ruimte vulde zich dan met gas dat dan door een andere gaslamp, of bij een poging tot aansteken tot ontploffing kwam. Er kwamen in de tijd van het gaslicht verschillende ernstige ontploffingen en vele branden voor, waarbij veel mensen gedood werden. Ondanks al deze nadelen breidde de toepassing van het gaslicht zich toch gestadig uit en ook in de kleinere steden en zelfs in dorpen begonnen gasfabrieken te komen en werd gasverlichting aangelegd.

Bij de opkomst van de elektrische verlichting ontstaat een heftige concurrentiestrijd tussen het gas- en elektrisch- licht. Aanvankelijk was het zo dat de elektrische verlichting met de kooldraadlamp, die lichtsterkte betreft iets beter was dan het gaslicht, maar door de uitvinding van het gasgloeikousje in 1885, was door het gaslicht een grote voorsprong behaald op het elektrische licht. Door toepassing van het gasgloeikousje was niet alleen de lichtsterkte toegenomen, maar ook het gasverbruik was gunstiger geworden. Het verschil met de kooldraadlamp was zo groot, dat het massaal voorkwam dat mensen die van gaslicht waren overgegaan naar elektrische verlichting, weer terugkeerden naar gaslicht. Uiteraard was dat alleen mogelijk in plaatsenwaar beide systemen aanwezig waren.
De gloeilampenfabrieken geven zich veel moeite om hun producten te verbeteren. Kort na 1900 komt er een grote doorbraak in de gloeilampentechniek. Na veel inspanning lukt het om in plaats van kooldraad, metaaldraad te gebruiken als gloeidraad. De metaaldraadlamp geeft een helder wit licht, verbruikt daarbij minder stroom dan de kooldraadlamp, maar de grootste verbetering is dat nu ook lampen met een grotere lichtsterkte gemaakt kunnen worden.
Met de komst van de metaaldraadlamp, die in korte tijd steeds weer verbeterd wordt, begint na 1910 de glorietijd van de elektrische verlichting, alleen op het gebied van de straatverlichting blijft het gaslicht nog heel lang een bescheiden plaats innemen. In Apeldoorn waren in 1948 een paar straten nog voorzien van gasverlichting, zelfs kwam daar in die tijd nog gaslicht voor woonhuizen. De auteur van dit artikel herinnert zich nog dat hij in 1948, als leerling-elektricien in Apeldoorn, in enkele woonhuizen de aanleg van elektriciteit verzorgde, waar tot dat moment het gaslicht nog in gebruik was. Uit nostalgische overwegingen worden tegenwoordig in enkele oude buurten van Berlijn nog straten verlicht met gas, dat overigens niet meer uit kolen wordt gewonnen, maar met behulp van benzine wordt geproduceerd.
 
Het begin van de elektrische verlichting.

In 1881 toont Edison op de internationale elektriciteitstentoonstelling in Parijs op een indrukwekkende wijze zijn 2 jaar tevoren uitgevonden gloeilamp aan het grote publiek in Europa. In zijn paviljoen heeft hij een voor die tijd kolossale dynamo opgesteld die aangedreven wordt door een stoommachine. Deze gelijkstroomdynamo had een vermogen van 100 kilowatt bij een spanning van 100-110 volt en was op dat moment de grootste ter wereld, hij leverde de benodigde elektriciteit voor de honderden gloeilampen die in zijn paviljoen brandden. Behalve zijn gloeilampen liet de grote uitvinder ook al een compleet door hem uitgewerkt verlichtingssysteem zien met verdeelborden, regulateurs, meetinstrumenten, zekeringen, schakelaars en leidingen zoals dat in Amerika al door hem werd toegepast.
 
De komst van de gloeilamp veroorzaakte een geweldige sensatie, in de kranten was de gloeilampdemonstratie van Edison wekenlang voorpaginanieuws en zowel wetenschapsmensen als het grote publiek verdrongen zich om met eigen ogen de wonderlamp te zien branden en stonden in lange rijen voor een opstelling van enige lampen die de bezoekers zelf met een schakelaar aan en uit mochten doen.

Een enkele uitzondering daargelaten had niemand in die tijd ook maar enige kennis van elektriciteit en het geheel had voor het publiek iets geheimzinnigs, iets mysterieus, deze nieuwe lamp die niet kon uitwaaien, die je niet met een lucifer hoefde aan te steken en die zelfs onder water kon branden.

Men was sinds mensenheugenis en van generatie op generatie gewend aan de olielamp en de kaars en hoe deze werkte is gemakkelijk te begrijpen, zelfs voor een kind. Ook de in die tijd snel populair geworden gasverlichting had niet veel geheimen voor de mensen, maar elektriciteit, wat dat was en wat het kon veroorzaken dat begreep bijna nog niemand.

De gasmaatschappijen, die de komst van de gloeilamp met zorgen vervulde, maakten handig gebruik van de onkunde van de mensen door ze bang te maken voor elektrische verlichting. In mededelingen verspreid door de gasfabrieken werd gewaarschuwd voor de ?verschrikkelijke' gevaren van elektriciteit, de lampen zouden kunnen ontploffen, aanraken van de leidingen had direct de dood ten gevolge en de elektrische verlichting zou ook veel duurder zijn dan gaslicht. Wat dit laatste betreft hadden de gasfabrieken het wel goed, het rendement van de eerste gloeilampen die als gloeidraad nog verkoold bamboe of karton bezaten, was inderdaad slecht en het zou tot ca. 1912 duren voordat de gloeilampen een rendement bezaten dat kon concurreren met het gaslicht.
 
 

Onder de vele Nederlanders die de tentoonstelling in Parijs bezochten was ook de directeur van het in 1866 geopende, zeer luxueuze Amstel hotel-restaurant in Amsterdam. Hij zag direct de grote commerci?le waarde van de elektrische verlichting zolang het nog nieuw was en hij besloot in zijn hotel ook elektrische verlichting te laten aanbrengen. Zo eenvoudig was dit overigens niet, immers elektrische centrales waren er nog niet in Nederland en ieder die elektriciteit in Nederland wilde gaan toepassen, moest ook zelf die elektriciteit eerst opwekken. Dit betekende dat het Amstel hotel dus zelf een kleine centrale moest laten bouwen. Hiertoe werd in een aparte ruimte een gasmotor opgesteld, die via een drijfriem een 110 volt gelijkstroomdynamo aandreef. Via een eenvoudig schakelbord werd stroom geleverd aan een installatie met ongeveer 180 gloeilampen. Buiten waren ook enige booglampen opgehangen. In het najaar van 1883 was de installatie gereed gekomen en werd met enige feestelijkheden in gebruik genomen.

De kranten brachten deze gebeurtenis met grote koppen en sensationele beschrijvingen op de voorpagina's en uit alle delen van het land trokken nieuwsgierige mensen, die daar geld voor hadden, maar Amsterdam om met eigen ogen het nieuwe wonderlicht te zien en iedere avond dromde een grote menigte mensen voor het hotel samen, binnen was het dan al stampvol bezoekers uit de gegoede middenstand die al in de namiddag waren binnen gekomen en bij het elektrische licht dineerden. Voor de velen die ook bleven overnachten was op iedere kamerdeur een bordje met de volgende tekst opgehangen:
 

 
Deze kamer is uitgerust met EDISON elektrisch LICHT. Dus dit licht niet met eenen lucifer aansteken. Alleen het zwarte knopje bij de deur omdraaien.
Het gebruik van Edison's Elektrisch licht is in geen enkel opzicht schadelijk voor de gezondheid, levert dus geen ernstige ziektes op en heeft geen nadelige invloed op uw nachtrust.
 
De Directie
 

Het commerci?le succes van de elektrische verlichting van het Amstel Hotel was natuurlijk in de zakenwereld niet onopgemerkt gebleven en we zien dan ook dat weldra andere restaurants, grote warenhuizen en modezaken ertoe overgingen om ook de elektrische gloeilampverlichting te laten aanleggen. Heel bekend geworden is de verlichting van de wintertuin, behorend bij café Krasnapolsky in Amsterdam. In de eerste tijd der toepassing der elektrische verlichting ging het, net als bij het Amstel Hotel, niet direct om het nut als lichtbron, daar het toen algemeen toegepaste gaslicht in vergelijking met de gloeilamp zeker niet minder was, maar veel meer als reclamemiddel. Men trachtte door elektriciteit toe te passen een voorsprong op de concurrent te verkrijgen.

Tot 1885 was het gebruik van elektrische verlichting beperkt tot hotels, warenhuizen en fabrieken. Ook enige stations van de spoorwegen waren in die tijd al van elektrische verlichting voorzien, maar hier werd, evenals bij straatverlichting, gebruik gemaakt van booglampen. De booglamp is een geheel andere lichtbron dan de gloeilamp en werd vanwege zijn felle, niet regelbare licht niet in woningen toegepast. Ook vereist de booglamp veel onderhoud in verband met het regelmechanisme dat nodig is om de koolstaven op brandafstand te houden.

Elektrische verlichting in woonhuizen kwam voor 1885 zeer sporadisch voor en beperkte zich tot de woningen van bedrijfsleiders, machinisten en fabrieksdirecteuren die dichtbij hun bedrijf woonden waar elektrische verlichting werd toegepast en waarbij het eenvoudig was om 2 draden te spannen van hun huis naar het bedrijf.